Welkom

Douane is een jonge uitgeverij die zich richt op Rotterdam en de rest van de wereld. De naam staat voor import en export, voor handel en wandel en voor smokkelen van 'van de wagen gevallen materiaal'.

Uitgeverij Douane bestaat 11 jaar - sinds 2004 hebben we zo'n negentig boeken op de markt gebracht.

 

Bekijk onze catalogus en koop een boek - grenzeloos genieten van onbegrensde literatuur.

 

Bij ons betaalt u geen verzendkosten!

(dit geldt voor particulieren in Nederland)

 

 

 

 

Nieuws

Kort verhaal Roman Sentsjin

  Oorlogssleur

Krijgsgevangenen, acht in getal, zijn bezig een massagraf te graven voor hun lijken en de onze. Het is een snikhete dag, de luchtvochtigheid is hoog. Iedereen zweet.
Ik zit op een klein heuveltje, tegen de stam van een den, toe te kijken bij de werkzaamheden en veeg van tijd tot tijd mijn natte gezicht af met een stinkend, versleten mutsje.
De gevangenen steken met hun ongebruinde naakte bovenlijven wit af, deze of gene heeft zelfs zijn gevlekte katoenen broek uitgedaan en loopt alleen in zijn onderbroek. Ik vind het niet fijn om naar hun bewegingen te kijken, naar hun gezucht en hun zachte gesprekken te luisteren.
Ik ben niet de enige die hen bewaak: om mij heen, in de smalle schaduw van de bomen, zitten de andere jongens ook met hun mitrailleur in hun schoot naar de gevangenen te kijken of te knikkebollen.
Niet ver van het graf dat wordt gedolven liggen de doden van beide kanten in een piramide op elkaar, in eendere camouflagekleding, met eendere kortgeknipte koppen, op karsaailaarzen van dezelfde fabriek.
Op twee stappen van de lijken liggen de stervende vijanden. Ze kreunen soms en vragen om water. Ze maken geen stennis en bewegen bijna niet, en er wordt geen aandacht aan hen geschonken.
Een vijandelijke soldaat met een gebroken arm heeft zich verscholen in een heidestruik en zit daar zachtjes te huilen van pijn of angst.
Ik roep tegen hem, het zwijgen moe: 'Niet zeuren, man, nog even...'
Hij stak zijn gezicht uit het struikgewas, staarde me wazig aan, wiegend met zijn hele lijf, en hij verschool zich weer, zonder iets te zeggen.
De gevangenen graven met sapeursscheppen en hun werk vordert traag. Nog maar goed dat het vandaag een graf van niks is, een man of vijftig.
Alle gevangenen zijn sergeant of gemeen soldaat; hun snorloze luit is meteen na de gevechten naar elders overgebracht en het lot van deze jongens wordt bezegeld door bevel nummer tweehonderdtweeënzeventig... Ze zijn allemaal jong, een jaar of achttien, twintig. En wij zijn ook jong. Dienstplichtigen.
Van lieverlee verdwijnen de werklui steeds dieper en dieper. Ik kom overeind, haal de veldfles van mijn riem, neem een paar slokken lauw water en loop naar de kuil.
'En, diep genoeg zo?' vraag ik.
De gevangenen stoppen met graven, kijken zonder woede en hoop naar me op.
Eentje in onderbroek antwoordt: 'Als je ze goed neerlegt wel.'
Ik zwijg even, maak een schatting en zeg dan: 'Nog ietsjes dieper en het is goed.'
Ik loop terug naar mijn den en ga zitten.
'Zeg... zeg, makker, geef eens een slokje water, wil je?' vraagt de jongen met de gebroken arm klaaglijk vanuit zijn bosje.
Ik antwoord: 'Nee.'
Hij dringt niet aan.
Met zo'n snikhitte heb je niet eens zin om te roken. Maar nog even en het is avond. Als de Schoonmaakploeg komt, zitten onze mensen al te bikken. Wat zou het vandaag zijn...? En dan – slapen.
Ik gebaar naar Borjka, die tegen een den naast de mijne zit. Hij komt lamlendig overeind, loopt op me toe.
'Ga de kap maar halen. Zo snel mogelijk afhandelen dit... Zin om te bunkeren, mijn armen zitten aan elkaar geplakt.'
Borjka gooit zijn mitrailleur over zijn schouder, slentert door het bos naar het legerkamp.
Ik roep tegen de gevangenen: 'Goed, afronden! Het is mooi zo.'
De scheppen komen uit de kuil gevlogen, daarna de jongens eruit geklommen. Ze rapen hun schep op en leggen ze bij elkaar. Ze hurken neer in het koele – uit de diepte gekomen – zand. Ze vegen hun lijf af met hun onfrisse shirt, krabben zich.
Ik heb ook zin om me te krabben. Goh, een koele duik, dat zou wat zijn...
De gevangenen houden zich koest. Ze zwijgen, vragen nergens om, zeuren niet. Al is er één, een tengere, donkere knaap, die mij indringend aan zit te staren. Dan houdt hij het niet langer en staat onzeker op, zoekt naar wat hij zal gaan zeggen en gaat ondertussen telkens van de ene voet op de andere staan.
'Wat heb jij?'
Hij hurkt meteen weer neer en begint rad: 'Moet je horen, v... vriend, jij komt toch uit Pieter?'
Ik haal mijn schouders op. 'Gestudeerd daar. En?'
'Was jij bij dat concert...? Weet je, dat concert... van Alisa? In de Jubileyny, weet je wel? Ik heb je daar gezien...'
'Zo. En?' Ik heb geen zin ook maar ergens aan terug te denken.
'Vriend, jij moet, wat zal ik zeggen, jij moet zeggen dat ze mij niet doodschieten. Nou? Ik ben bij jullie geweest... ik ben eigenlijk voor jullie... Zeg dat... Toe, help mij, vriend?'
'Ik weet niet', zei ik. 'Zo meteen komt te kapitein, die zoekt het wel uit. Wacht maar even.'
Hij loopt naar zijn mensen. Ik steek een sigaret op.
De gevangenen kijken naar de sigaret, maar durven niets te vragen. Terwijl ik nog geen eigen man iets zou geven, het is weer een heel gedoe om aan iets te roken te komen.
Dan komt kapitein Piksjejev. Hij draagt verschoten camouflagekleding, een ransel opzij, hoge schoenen van een oud model. Ik kom overeind en loop hem tegemoet.
'Zo, Sentsjin, alles in gereedheid gebracht?'
'Tot uw orders. De lijken erin?'
'Je doet het toch niet voor het eerst? Maak een beetje voort!'
Ik roep tegen de gevangenen: 'Gooi ze er maar in.'
Ze beginnen de doden naar het graf te slepen.
'Een beetje zuinig met de ruimte, dicht op elkaar', zeg ik van tijd tot tijd.
Ze zijn klaar. De kapitein kijkt in de kuil, klakt peinzend met zijn tong.
'En dan nu de gewonden.'
Ik zet mijn mitrailleur op enkelschots, ontgrendel... Een van de gevangenen draait de op de grond gelegen mannen om, met hun gezicht naar de grond, en ik schiet. In het achterhoofd, iets boven de nek. Ze sterven in stilte. Ze worden allemaal in het graf gestopt.
De kapitein kijkt nog eens en zegt: 'Wat een kutwerk van die dombo's. Ze steken boven de grond uit.'
Ik voel aan de warme loop van mijn AK en antwoord: 'We gooien er wel een dikke laag aarde overheen, niks erg. Dan maar een heuveltje.'
De kapitein fronst zijn wenkbrauwen, rekt tijd. Dan beveelt hij: 'Zo, nu die...' En hij slaakt een zucht. 'Een beetje zwaar vandaag... Drukkend of zo.'
De zon is bezig te verdwijnen achter de met sparren en dennen begroeide dichtstbijzijnde heuvel ten westen van ons. Van het meer komt koelte. Ik stik van de honger.
'Hoog tijd, hoog tijd, kameraad kapitein', zei ik. 'Maar één moment.' Ik verlaag mijn stem. 'Die daar, met dat zwarte haar, aan de zijkant, die wil zich bij ons aansluiten.'
Kapitein Piksjejev kijkt, denkt even na, zoals altijd, en maakt een wegwerpgebaar.
'Dat is weer zo'n gedoe... Allemaal is allemaal.'
'Duidelijk.' Ik loop op de gevangenen toe en zeg: 'Kom, jongelui, op de rand gaan staan.'
Ze gehoorzamen zwijgend en zonder haast. Tot dan toe hebben ze op de grond met elkaar zitten fluisteren. Nu moet de een hevig trillen, trekt een ander zijn broek aan.
Onze gasten stromen eveneens toe, brengen hun mitrailleur in gereedheid.
Opeens stapt een van de gevangenen naar voren, een kort, gedrongen ventje in een smoezelig, afgedragen mutsje met een gloednieuw kokarde in felle driekleur en met een camouflagepak met alle knopen dicht.
Hij begint met even krachtige als trillende stem: 'Kameraad kapitein, misschien hoeft dit niet... kan het menselijk. In deze stomme strijd, dat is één ding, maar zo... We spreken immers dezelfde taal, we zijn immers allemaal... burgers van Rusland. Waarom moet dit...? Bovendien... kameraad kapitein...'
'Mooi, strijder,' valt Piksjejev de man in de rede, 'niet met geklaag bij mij aankomen. Ik heb mijn bevelen. Duidelijk? Als ik die niet uitvoer, wacht mij eenzelfde lot.' De kapitein gaat los, hij houdt helemaal niet van discussie. 'Je hoeft bij mij niet te gaan lopen klagen – jullie wisten donders goed wat er van zou komen. Hebben jullie de eed afgelegd? Ja, dus. Dan word je nu ter verantwoording geroepen. Jullie smeekbeden komen me de strot uit. Duidelijk of niet? Opstellen!'
De gevangen drommen bijeen. De gehandicapte komt uit zijn heidestruik gekropen en sluit zich bij zijn mensen aan, onophoudelijk zwaaiend met zijn dik geworden arm.
Niet ver weg klinkt het geluid op van de bekende ZIL. Kostik, die de Schoonmaakploeg naar het kamp rijdt. Eindelijk... Mijn eetlust is terug.
Onze mensen gaan in gebroken gelid op tien pas van de nog te doden mensen staan. Kapitein Piksjejev ijsbeert door het groene gras, beweegt geluidloos zijn lippen, kijkt naar de grond voor zich. Hij blijft staan, haalt een verfrommelde zakdoek tevoorschijn, wist zich het zweet van het voorhoofd. Hij kijkt naar de lucht, die kleurloos is, en zegt gemoedelijk: 'Vuur!'

_____________

Van Roman Sentsjin (1971) verschijnt in november bij Uitgeverij Douane de roman die in Rusland vele shortlists van literatuurprijzen haalde: De Jeltysjevs.

Meer nieuws >>
 

Onlangs verschenen

Het Igorlied

Verrassend en pijnlijk actueel - dit twaalfde-eeuwse verslag van een veldtocht. ...
lees verder >>
De Demon en andere gedichten
Michail Lermontov
Zwarte romantiek van de grote Lermontov. ...
lees verder >>
Raja & Aad
Marina Palej
Een literair meesterwerk - maar ook het tragische verhaal van een inburgerende vrouw uit de Oekraïne. ...
lees verder >>
Beschrijving van een stad
Dmitri Danilov
Het derde boek dat van deze grote Russische auteur bij Douane uitkomt. ...
lees verder >>